O.G. Heldring

Omhoog Gedichtencirkel O.G. Heldring Henriëtte Roland Holst Literatuur

Gedichten van O.G. Heldring

  • Op deze pagina een aantal gedichten van O.G. Heldring. Ik kwam in aanraking met deze gedichten via zijn zoon, J.A.H. Ik vond het indrukwekkende gedichten, gezien de achtergrond vanwaaruit ze zijn geschreven: iemand die in de Tweede Wereldoorlog in een gijzelaarskamp was opgesloten, maar in die bedreigende situatie moed putte uit zijn geloof en daaraan innerlijke vrede wist te ontlenen.

  • Ik heb het gevoel dat deze gedichten ook mensen nú nog wat te bieden hebben. Want de gedichten snijden één van de meest centrale menselijke vragen aan: hoe vrede en dankbaarheid te vinden temidden van tegenslagen, bedreigingen en onrust?
  • De heer J.A.H. schreef de volgende introductie op de gedichten van zijn vader:

De gedichten van O.G.H. zijn onder moeilijke omstandigheden ontstaan.

Het gedicht "Is dit de morgen?" dateert uit het de tijd van de bezetting voordat hij gegijzeld werd. In die tijd weigerde hij de ariër (niet jood) verklaring te tekenen.

Ik maakte zelf mee dat hij op 13 juli 1942 werd opgehaald van huis met onbekende bestemming. De bestemming bleek het gijzelaarskamp Haaren (N.B.) te zijn

Een maand later, op 15 augustus, werden de medegijzelaars Bennekers en Ruys gefusileerd. In die periode zijn "Herfststemming", "De tuin der stilte", "Wolken" ontstaan.

"Het Lied van Haaren" is in hetzelfde jaar, eind oktober, voor het eerst gezongen bij de jaardag van de componist, Herman Andriessen.

In januari 1943 verhuisde de laatste groep gijzelaars van Haaren naar het gijzelaarskamp "Beekvliet" in St Michielsgestel. Daar dichtte hij "Goedheid".

In februari 1944 werd hij uit het kamp ontslagen en hij heeft daarna de oorlog overleefd

J.A.H.

 

 

Is dit de morgen?

Is dit de morgen?
Mijn voeten zoeken duistre treden van de trap,
Die naar de tuin leidt:
De bomen zwijgen.
Nu knarst het grint.
De natte weg vangt wat er is aan licht
Uit scheuren in de zwarte wolkendriften.
Is het de dag?
Ik weet het niet.
Is dit de morgen?

Ja, 't is de morgen
De lucht is van zijn ademen doorzuiverd,
En draagt van ver 't gelui van morgenklokken
Waarschuwend blaast een schip zijn hoorn
Op 't verre water,
En mannen haasten naar hun werk in 't donker,
Is dit de morgen?

De wereld is in donkerheid gedompeld,
En op haar wegen haasten zich de menschen
Naar 't onbekende doel.
Lichtbundels schieten op van d'aarde
Vuurbollen spreiden licht en dooven langzaam
Is dit de morgen?

Ja, 't is de morgen, maar 't is niet haar licht:
Dat schuilt nog onder de onzicht'bre kimmen,
Maar onafwendbaar rijst het.
Geen dag is ooit gerezen dan uit nacht.
Maar uit den diepsten nacht, die ooit
zijn schaduw zal spreiden uit den allerdiepsten,
Die ooit op mensch en aarde drukken zal,
Verrijst Gods dag!

 

 

Herfststemming.

                    Periode van het fusileren.

Grijswitte nevels in zachtblauwe lucht
Getemperd zonlicht, warm toch mild,
Als glans van een lief oud gezicht:
Vallende druppels, nevelkoel en puur-
Een lichte adem, wind uit frisse bron,
Traag spreken van wat menschen op het gras….
De oude zomer legt heel zacht zijn hand
Op d'aarde en fluistert: "'k Ga voorbij."

En komt de dood getogen
Kom ik alleen te staan
Zien voor het laatst mijn oogen
De schone aarde aan,
Neem, Vader, in genade,
Mijn ziel tot vreugde aan,
Laat haar verlost van 't kwade
bij U ten feeste gaan.

O.G.H
Haaren Augustus 1942

 

 

        De tuin der stilte

Ik zou vandaag zijn vrijgelaten, maar
Het ging niet door, er was een misverstand.
Nu zit ik buiten en geniet ik daar
Van lucht, van licht, van zon op 't stukje land,
Dat is omrasterd met scherp prikkeldraad
En waar de wacht met trage stappen gaat.

Ik viel in slaap en droomd'een blijden droom
Van een, die slingerde met volle kracht
Een handvol knikkers, spattend als stroom
Van druppels, en een wilde jacht
Van kind'ren juichend op hun spoor
Ik liep op 't brede pad er tusschendoor.

'k Ontwaakte, 'k hoorde stemmen in het rond,
De struiken suisden in den middagwind,
Een vogel ver, zijn hooge klanken zond.
Diep in mij was een rust als van een kind
Tevreden met zichzelf en met zijn leven
Spelend met 't oogenblik aan hem gegeven.

Is 't waar, dat buiten dezen rastertuin
Een oorlog laait, die goed en bloed verslindt?
Die raast op berg en vlakte, zee en duin
Terwijl ik in mij dezen vrede vind?
Geprezen dan het hek, de wacht, de Macht,
Die mij in dezen tuin der stilte bracht.

        O.G.H.
        Haaren, 28 juli 1942.

 

 

        Wolken.

Ik zag, op een stillen morgen,
twee wolken langzaam voortdrijven
Stil en onhoorbaar gaan Gods werken
Hun majesteitelijken gang
Door 't hemelruim, wijd, zonder perken….
In verre diepten zweeft de aarde, bang….

Haar bergen trillen en haar zeeën koken,
Het gieren van de bommen scheurt den nacht,
Menschen vertwijfelen, hun steden rooken-
Stralend, geluidloos, glijdt des koepels pracht.

Stil en onhoorbaar gaan Gods werken
Hun majesteitelijken gang
Door 't hemelruim, wijd zonder perken….
't Rumoer der aarde is in stiltes vang.

O.G.H.
Haaren, Augustus 1942.
 

 

Het lied van Haaren.

Vanwaar de golven bruisen,
de ruige heide bloeit,
Vanwaar de bosschen ruisschen,
de gouden tarwe groeit,
vanwaar de breede stroomen
zich winden door het land,
vandaar zijn wij gekomen,
ons aller vaderland.

God, Die des menschen gangen
bepaalt van dag tot dag,
beslist of hij gevangen
of vrij hij wezen mag;
ons lot rust in Zijn handen,
ons hart steunt op Zijn macht,
in vrijheid of in banden,
Hij schenkt ons levenskracht.

Dies wil ik niet versagen
en heb ik sterken moed.
Al teist'ren wilde vlagen,
al rijst de hoge vloed,
'k word niet alleen gevonden;
God, menschen staan gereed.
Wij zijn, door druk verbonden
tot één geheel gesmeed.

O.G.H.
        augustus 1942.

 

 

    GOEDHEID

In een besloten hof
op een Septemberdag
van goud en puur azuur
werd dieper mijn verstaan
van wat men goedheid noemt:
een stille warme gloed,
een mild, gebroken licht
een windzucht als een hand,
die even licht, heel licht
met koele vingers strijkt
langs slapen en gezicht . . . .
Ik zag wat goedheid is;
ik zag het mild gelaat,
de diepe warme blik,
de zegenende hand
beide van God en mensch:
ik wist, dat in mijn nood
ik niet vergeten was;
in goedheid ingebed
in liefde ingeplant.

                    O.G.H.
        Sint Michielsgestel, September 1943

 

 

Deze pagina werd voor het laatst ververst op: vrijdag 21 april 2000.