De wederopstanding van de gnostiek

  • Onderstaand fragment is genomen uit:
    Bram Moerland, Schatgraven in Nag Hammadi, Een inleiding in de gnostiek, uitg. Mirananda, ISBN 90-6271-920-1
     
  • Opmerking van de auteur:
    "Wil je op deze tekst reageren? Stuur dan je opmerking per e-mail aan schatgraven@xs4all.nl.
    Reacties die ook voor anderen interessant zijn, worden doorgestuurd naar alle adressen van de mailinglijst schatgraven.."
     
  • AP: Klik met de rechter muisknop op de tekst om een inhoudsopgave van deze pagina op te roepen.
     

Vorige Omhoog

 

1.1 De wederopstanding van de gnostiek

Tijdens een van mijn lessen cultuurfilosofie kwam een schilderij ter sprake van een herder met een schaap in zijn armen. De herder is op weg naar een kudde schapen in de verte. Vroeger zou praktisch iedereen meteen begrepen hebben wat hier uitgebeeld wordt: het verhaal van de Goede Herder. Hedendaagse jonge studenten kennen dat verhaal echter meestal niet. Dus vertelde ik over het schaap dat van de kudde afdwaalde, over de herder die erachteraan ging en net zo lang zocht tot hij het verloren schaap gevonden had. Daarna bracht hij het weer terug bij de kudde. En ik moest ook uitleggen dat het beeld van de Goede Herder staat voor de God van de christenen, die niet aflatend over al Zijn gelovigen waakt.
    Waarop een studente uitriep: 'Wat een ellende zeg, altijd zo'n herder achter je aan.'
    Ze kreeg luide bijval van de andere studenten.
    Ik mag dat wel, zo'n troep jonge honden met het hart op de tong.
    Toen de rust hersteld was vertelde ik hun dat er nog een andere en zelfs oudere versie van dat verhaal bestaat die hun wellicht beter zou bevallen. Die was kwijtgeraakt, maar in 1945 weer gevonden in de buurt van het dorpje Nag Hammadi in Egypte.
    Een boer, Muhammad geheten, was in dat jaar bezig de vruchtbare aarde van een oud kerkhof in grote manden te laden met de bedoeling die daarna over zijn eigen akker uit te gaan strooien.
    Het oude kerkhof - dat allang niet meer in gebruik was - lag in de buurt van een ruïne, waarvan we ondertussen weten dat die van een klooster geweest moet zijn uit de eerste eeuwen na Christus.
    Tijdens zijn graafwerkzaamheden stuitte de boer plotseling op een grote aarden kruik. Hij vroeg zich af wat zich daarin zou kunnen bevinden. Muhammad vertelde dertig jaar later aan Gilles Quispel, hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht, zijn verhaal:

In december 1945 heb ik de kruik gevonden bij de berg Hamra Dun. Rond zes uur 's morgens, toen ik aan het werk ging, vond ik deze kruik. En nadat ik hem gevonden had, kreeg ik het gevoel dat er wat in zat. Dus bewaarde ik de pot, en omdat het die ochtend koud was besloot ik hem achter te laten en later weer op te halen om te kijken wat erin zat. In feite ben ik diezelfde dag nog teruggegaan, en ik sloeg de kruik stuk. Maar eerst was ik een beetje bang, omdat er wel eens wat in zou kunnen zitten - een jinn, een boze geest. Ik was alleen toen ik de kruik stuk sloeg. Ik wilde wel dat mijn vrienden erbij zouden zijn. Nadat ik hem stukgeslagen had, ontdekte ik dat er boeken in zaten. Ik besloot mijn vrienden op te halen om het hun te vertellen. Wij waren met z'n zevenen en we beseften meteen dat dit iets te maken had met de christenen. En wij zeiden dat wij er eigenlijk totaal niets aan hadden - voor ons was het gewoon waardeloos. Dus heb ik het hier naar een geestelijk leider gebracht en deze zei dat wij er werkelijk niets mee konden doen. Voor ons was het gewoon rommel. Dus heb ik het mee naar huis genomen. Sommige boeken zijn verbrand en ik heb geprobeerd er een paar van te verkopen.

Muhammad verdeelde de boeken onder zijn vrienden.
    Ze ontdekten al snel dat er handel in die boeken zat. Een voor een verschenen ze op de zwarte markt van Egyptische antiquiteiten en langzaam druppelden ze de westerse wereld binnen. Daar ontketenden ze niet minder dan een sensatie onder westerse geleerden. Want dit waren manuscripten van oude en verloren gegane teksten uit de eerste eeuwen na Christus!
    Het heeft nog ongeveer dertig jaar geduurd voordat al deze geschriften, althans wat er nog van over was, toegankelijk werden voor internationaal wetenschappelijk onderzoek.
    In 1977 verscheen een complete vertaling in het Engels, in 1988 gevolgd door een verbeterde uitgaaf: 'The Nag Hammadi Library.' (Voor de gegevens, zie Bibliografie)
    Er is ondertussen ook een complete Nederlandse vertaling verschenen van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans: 'Nag Hammadi Geschriften 1 en 2.' (Voor de gegevens, zie Bibliografie)
 
Onder de 51 geschriften die bij Nag Hammadi gevonden werden bevindt zich een tekst die wordt aangeduid met de titel 'Het Thomas Evangelie.' Daarvan waren tot voor de vondst bij Nag Hammadi alleen enkele fragmenten overgeleverd. In de kruik van Nag Hammadi bevond zich een geheel compleet exemplaar. Daarin vinden we de volgende verrassende versie van het verhaal van het schaap en de herder (Thomas 107):

Jezus zei:
Het koninkrijk is als een herder die honderd schapen had.
Een van hen, de grootste, ging ervandoor.
De herder verliet de negenennegentig
en zocht naar die ne,
tot hij hem vond.
En nadat hij zich al die moeite had getroost
zei hij tegen het schaap:
Jij telt voor mij meer dan die negenennegentig.

Het meest opvallende is wat hier ontbreekt: er wordt niet gezegd dat de herder het schaap terugbrengt naar de kudde! Of het schaap nu wel of niet naar de kudde terugkeert doet er dus kennelijk niet toe. Dat is althans niet waar het hier om gaat.
    Waar het wel om gaat is dat het verdwenen schaap door de herder geprezen wordt en zelfs door de herder verkozen wordt boven de schapen die in de kudde achterblijven: 'Jij telt meer voor mij dan die negenennegentig.'
 
Het moge duidelijk zijn dat de studenten zich in deze versie van het verhaal van het schaap en de herder heel wel konden vinden.
    Er is een wereld van verschil tussen een schaap dat weer in de kudde opgenomen wordt, en een schaap dat geprezen wordt omdat het zijn eigen weg verkiest te gaan.
    In deze twee versies van het verhaal over een schaap dat ervandoor gaat, is het fundamentele conflict getekend tussen de twee belangrijkste stromingen onder de volgelingen van Jezus in de eerste eeuwen na hem.
    De ene stroming is die van het kerkelijk christendom waaruit de rooms-katholieke kerk is voortgekomen, met de bisschoppen en de paus als de herders die hun kudde bewaken. Die stroming zal ik hierna 'de kerk' noemen. Ook de latere protestantse kerken horen daartoe.
    De andere stroming kennen we onder de naam 'gnostiek.' De aanhangers daarvan heten 'gnostici.' De gnostiek is een vorm van spiritueel individualisme. Veel van de teksten die bij Nag Hammadi werden gevonden behoren tot die stroming en ze bevestigen het verhaal van het eigenwijze schaap.
    De kerk heeft er met niet aflatende ijver naar gestreefd de gnostiek uit de westerse cultuur te verwijderen. Ze is daar bijna in geslaagd, op n kruik na, de kruik die bij Nag Hammadi gevonden werd.
    De reactie van de studenten tijdens de les cultuurgeschiedenis laat zien dat nu levende mensen zich niet meer zo thuis voelen in de geborgenheid van een veilige kudde. En ook bleek duidelijk dat er in die oude teksten uit Nag Hammadi dingen staan die hen wel aanspreken. Zij zijn niet de enigen.

De opstanding uit de dood

'Zijn er nog meer van dat soort verhalen?,' wilden de studenten natuurlijk weten.
    'Die zijn er', zei ik, 'en het verschil zal je zeer verbazen.' Ik vertelde hun het verhaal van de opwekking van de dode jongeling:

Toen Jezus een stad naderde kwam er een begrafenisstoet de stadspoort uit. Het enige kind van een weduwe was gestorven. Jezus werd bewogen door het verdriet van de moeder. Hij raakte de baar aan waarop het dode kind gedragen werd en hij sprak: 'Kind, ik zeg u, sta op!' Het dode kind ging overeind zitten en begon te spreken. (Lucas 7:11)

Hier wordt, zo lijkt het, een wonder beschreven. Maar wat zeggen de teksten uit de kruik van Nag Hammadi daarvan?
    In de gnostische stroming van het christendom verwijzen de woorden 'dood' en 'levend' niet naar een toestand van het lichaam, maar naar een toestand van de ziel.
    Dat wil ik duidelijk maken aan de hand van een min of meer hedendaags voorbeeld.
    Zo'n anderhalve eeuw geleden, nog vr de inzet van de vrouwenemancipatie dus, bestond er in de westerse cultuur een duidelijk beeld over 'de vrouw.' Een vrouw kon alleen maar voelen en niet denken. Ze had daarom de leiding nodig van een man, want mannen kunnen wel denken, en die leiding moest een vrouw dus ook, voor haar eigen bestwil, gehoorzaam accepteren. Zo'n typering van mannen en vrouwen noemen we een rolmodel.
 
Stel, je wordt geboren met de biologische kenmerken van een vrouw. Welk lot wachtte je als je anderhalve eeuw geleden geboren zou zijn?
    De meeste mensen om je heen zouden van je verlangd hebben dat je je voegde naar het rolmodel van de vrouw uit die tijd.
    Maar los daarvan heb je toch ook nog een individuele eigenheid. Hoe zou je daar dan mee omgegaan zijn?
    Als je als mens alleen maar vorm geeft aan het rolmodel en niet aan je persoonlijke eigenheid, dan ben je volgens de gnostische traditie een 'dode.' Dan besta je niet eens, zeggen sommige gnostische teksten. We hebben voor zo iemand in het Nederlands een treffende typering: een 'dode diender.' Zo iemand is niet zichzelf maar is zoals 'men' verlangt dat zij is. Het Evangelie van Filippus zegt over zulke mensen (123e):

Ze hebben niet bestaan, bestaan niet en zullen niet bestaan.

Als iemand ooit tot het inzicht komt dat zij tot dan toe alleen maar een rolmodel heeft vormgegeven, dan zal zo iemand tegen zichzelf zeggen, volgens het Evangelie van de Waarheid (29):

Ik besta als de schaduwen en de schijngestalten van de nacht!

Maar als zo iemand dan 'tot zichzelf komt', dan wordt ze een 'levende' in figuurlijke zin, dan staat ze op uit de figuurlijke dood.
    Dan weet je ook wat de zin van je leven is, want zo iemand:

weet waar hij vandaan gekomen is en waar hij heen zal gaan. Hij weet, zoals iemand die dronken was weer nuchter is geworden, en, tot zichzelf gekomen, zijn zaken weer op orde heeft gesteld. (Waarheid 16)

Hier zien we precies dezelfde tegenstelling als tussen het schaap dat teruggebracht wordt naar de kudde, en het schaap dat z'n eigen weg gaat.
    Het rolmodel van de vrouw is een onderdeel van de collectiviteit en het is onpersoonlijk. Als je jezelf verliest in de collectiviteit, de kudde, dan ben je een 'dode', zegt de gnostiek.
    Alleen als je 'woekert met je talenten', je persoonlijke eigenheid, ben je een 'levende.'
    Als individueel mens kun je dus tijdens je leven op aarde een proces doormaken waarbij je je ontwikkelt van een 'dode' tot een 'levende.' Dat is de opstanding in gnostieke zin. 'De opstanding uit de dood' is de figuurlijke uitdrukking onder de gnostici voor het 'tot jezelf komen.'

We moeten ons de opstanding verwerven in de tijd dat we nog in deze wereld zijn,

zegt het Evangelie van Filippus (63) daarover.
    'Dus dat gaat helemaal niet over wonderen!' riep een student verbaasd uit. Heeft Jezus dan geen wonderen verricht?
    Nee, de gnostische opstanding uit de dood is geen wonder. Dat gaat over een individueel proces dat elk mens kan meemaken. In de gnostieke traditie wekt Jezus mensen tot leven door hen wakker te schudden, ze te leren hoe ze zichzelf kunnen kennen. Hij leert hun hoe ze 'hun oorspronkelijk gelaat' kunnen hervinden en de vervulling die dat zal opleveren:

Als je je oorspronkelijk gelaat ziet
hoeveel vreugde zul je dan ervaren! (Thomas 84)

Worden als een kind

Hoe doe je dat, je oorspronkelijk gelaat terugvinden, weer 'levend' worden? Het Thomas Evangelie (4) zegt daarover:

Een man, oud van dagen, zal niet aarzelen
om een klein kind, zeven dagen oud,
te vragen naar de plaats van het leven,
en hij zal leven.

Waarom naar de plaats van het leven vragen aan een kind van zeven dagen? In de joodse samenleving waartoe Jezus behoorde werden jongetjes op de achtste dag besneden. Althans, zo had Jahweh dat bevolen:

Al uw mannelijke kinderen moeten als ze acht dagen oud zijn besneden worden. Iedere onbesnedene moet uit zijn stam verwijderd worden. (Genesis 17:12)

Daarna was het kind 'een besnedene' en leerde het zichzelf ook te ervaren als een besnedene. Als je jezelf ervaart als 'een besnedene' ken je jezelf daarmee een identiteit toe die deel is van een collectief, je voegt jezelf daarmee in de kudde van alle besnedenen. Je zegt dan niet van jezelf: 'Ik ben die ik ben', maar 'Ik ben een besnedene.' Je identificeert je dan met een rolmodel uit een cultuur.
    Maar op de zevende dag, de dag vr de besnijdenis, is het kind nog zichzelf, het is nog geen 'besnedene.' Daarom weet een kind van zeven dagen nog 'de plaats van het leven.'
    Precies zo kan iedereen die wil 'leven', in zichzelf op zoek gaan naar haar of zijn eigen kind, naar de oorsprong in zichzelf, naar haar 'oorspronkelijk gelaat.'
 
Elk kind wordt onbevlekt ontvangen, vinden de gnostici (het kind is dus onbevlekt, niet de moeder!), dat wil zeggen: geboren zonder zonde. Elk kind komt ter wereld met een onaangetaste fundamentele goedheid. Die noemen de gnostici de godsvonk. Kinderen zijn Gods erfgenamen, zeggen gnostici: ze erven Gods goedheid. Elk mens kan in zijn leven steeds weer terugkeren naar die fundamentele goedheid in zichzelf, naar 'het Koninkrijk dat in u is', om:

...van die plaats te proeven en er voedsel en groei van te ontvangen. (Waarheid 55)

Maar daar kan kennelijk ook anders over gedacht worden. In zijn Confessiones wijdt Augustinus, n van de grote herders van de kerk, vier eeuwen na Jezus, en ook enkele eeuwen na het Thomas Evangelie, vele pagina's aan het 'bewijs' dat kinderen al bij hun geboorte door en door zondig zijn, omdat ze iets heel anders gerfd hebben dan Gods goedheid, namelijk de erfzonde. Kinderen zijn dus al vanaf hun geboorte zondig, ze zijn 'geboren in zonde', zelfs 'verwekt in zonde.'
    Zondige kinderen hebben de strenge tucht nodig van herders als Augustinus om binnengeleid te worden in het Koninkrijk, met de kerk als toegangspoort. 'Dwing hen om binnen te gaan!' roept Augustinus vol vurige ijver uit.
 
Er is ons een polemiek overgeleverd tussen Augustinus en zijn tijdgenoot Pelagius over de vraag wat er met kinderen gebeurt die kort na hun geboorte sterven. Pelagius, die er gnostische opvattingen op na hield, was ervan overtuigd dat zulke kinderen onmiddellijk terugkeren naar God, ook als ze niet gedoopt zijn. Augustinus beweerde met klem dat zulke kinderen als ze niet gedoopt zijn meteen naar de hel gaan en daar voor eeuwig blijven. Vanwege de erfzonde was dat zelfs hun verdiende loon, vond hij.
    Hiermee is misschien wel het meest wezenlijke verschil getekend tussen de gnostici en de gelovigen.
    De gnostici gingen uit van de fundamentele goedheid van de mens, eventueel verborgen en alsnog op te wekken. Wie meent dat het wezen van de mens verbonden is met deze fundamentele goedheid kan zijn medemensen in vertrouwen aan zichzelf overlaten, zal die zelfstandigheid zelfs willen bevorderen, omdat alleen een mens die werkelijk zichzelf is die oorspronkelijke goedheid in zichzelf kan ervaren.
    De kerk daarentegen vertrok vanuit de fundamentele zondigheid van de mens. Een zondig mens kan niet aan zichzelf overgelaten worden want dan gaat het fout. Die moet gecorrigeerd en gestuurd worden. Daar is de kerk voor, als het genade-instrument van God.
 
Bij een zondig mens hoort een heel ander kind dan het kind uit het Thomas Evangelie. Daarom lezen we in Matthes 18:2-4:

Hij (Jezus) riep een kind bij zich en zette het midden in de kring. 'Ik verzeker jullie', zei hij, 'het hemelse koninkrijk kom je alleen binnen als je van gezindheid verandert en wordt als kinderen. De belangrijkste in het hemelse koninkrijk is dus hij die zich zo onbelangrijk vindt als dit kind.'

Zo zie je in detail hoe een bevrijdende mensvisie, die van de gnostiek, subtiel omgezet wordt in een ideologie die van gelovigen verlangt dat ze zich onbelangrijk vinden, en zich dus nederig schikken in het kerkelijk gezag, want anders kom je niet in de hemel.
    (Later zullen we zien hoe ook de toevoeging 'hemelse' aan 'het koninkrijk' ook een betekenisvolle verandering is. In Thomas 113 staat nadrukkelijk: 'Het koninkrijk is uitgespreid over de aarde.' Het gnostieke koninkrijk is dus niet in de hemel. De gnostiek heeft ook geen hel.)

Zoenoffer en symbolische vertelling

'Maar in de bijbel staat toch dat Jezus voor onze zonden aan het kruis is gestorven', merkte een kennelijk toch enigszins kerkelijk geschoolde student op.
    Inderdaad, volgens de kerk heeft Jezus met zijn lijden en zijn dood plaatsvervangend geboet voor de zonden van de mensheid. Alle mensen worden in zonde geboren en dankzij het zoenoffer van Jezus kunnen de mensen hun relatie met God weer in het reine brengen. Die kerkelijke visie heet 'de verzoeningsleer.' Voor vele christenen vormt de verzoeningsleer nog steeds de kern van het christendom.
    De verzoeningsleer bestaat uit twee componenten.
    De eerste is de opvatting dat elke mens in zonde geboren is.
    De tweede is het heilsplan van God met de mensheid. Jezus zou, als Gods zoon en dus ook zelf God, vrijwillig mens geworden zijn, om Gods heilsplan met de mensheid te voltrekken: zijn kruisdood als zoenoffer. Het zoenoffer van Jezus is de plaatsvervangende boetedoening voor de zonden van de mensheid. Daardoor kan de goede relatie tussen mens en God weer hersteld worden.
 
De katholieke mis staat geheel in het teken van de verzoeningsleer. De mis begint met een collectieve schuldbekentenis:

Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa.
(Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.)

Meteen volgt een smeekbede om vergeving:

Kyri eleison, Christe eleison, Kyri eleison.
(Heer, ontferm u over ons, Christus, ontferm u over ons, Heer, ontferm u over ons.)

Daarna viert men het zoenoffer in de eucharistie. Het brood is symbool van het lichaam van Christus, de wijn is symbool van zijn bloed. Men zingt vervolgens:

Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis, dona nobis pacem.
(Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt, ontferm u over ons, geef ons vrede.)

Jezus is het 'Lam van God', het offerlam. Brood en wijn zijn samen het symbool van het offer van zijn leven.
 
Het probleem van de vernieuwers binnen de rooms-katholieke kerk lijkt mij dat hun eredienst geheel in het teken staat van de zondigheid van de mens en het zoenoffer van Jezus. Met die rituele viering van de dood van Jezus zijn ze als het ware aan de verzoeningsleer vastgeketend, terwijl die toch voor zeer veel hedendaagse praktiserende katholieken niet meer als betekenisvol wordt ervaren.
    Wat dat betreft lijkt het alsof de protestantse kerken een veel grotere vrijheid tot vernieuwing hebben, waar hun kerkbezoek toch vooral de dienst van het woord is. Maar merkwaardig genoeg ontstaan de meeste vernieuwingsimpulsen binnen het christendom aan de basis van de katholieke kerk (zeker niet van de hirarchie!).
 
Voor de gnostici telt de verzoeningsleer helemaal niet. Voor zover ze menen dat Jezus werkelijk aan het kruis gestorven is, vinden ze dat gewoon een politieke moord. De hogepriesters vormden een buitengewoon machtige kaste in de toenmalige joodse samenleving. Het is duidelijk dat deze priesters geen boodschap hadden aan iemand die de gelovigen aanzet hun eigen weg te gaan, om terug te keren naar het kind in zichzelf van vr de besnijdenis.
    Als het verhaal van de opstanding van Jezus voor de gnostici al een betekenis heeft, dan is dat alleen als de symbolische vertelling van het zielenproces van de mens die van een 'dode' weer een 'levende' wordt.

Het opheffen van blindheid

Maar Jezus genas toch ook blinden? Dat waren dan toch wel wonderen?
    Zeker, in het Nieuwe Testament wordt verteld hoe Jezus blinden geneest, onder andere in het volgende verhaal.

Er zit een blinde man te bedelen langs de weg. Jezus komt langs met een stoet volgelingen. De blinde bedelaar ontdekt dat het Jezus is die aan hem voorbijtrekt. Hij roept naar Jezus. De volgelingen van Jezus willen hem het zwijgen opleggen, maar Jezus heeft de bedelaar gehoord. Hij gaat naar hem toe en vraagt wat hij wil. De bedelaar antwoordt: 'Ik wil ziende worden.' Jezus zegt 'Word ziende', en dan kan de man weer zien.

Zo verteld lijkt dit een wonderbaarlijke genezing van een lichamelijk blinde. Maar onder de gnostici heeft 'blindheid', en ook 'zien', toch weer een geheel eigen betekenis. Wanneer is daar iemand 'blind'? En wanneer is iemand 'ziende'?
    Nemen we weer het rolmodel van 'de vrouw' in gedachten.
    Wat was ook weer een dode? Als gnostici het over een dode hebben dan spreken ze over iemand die zichzelf geheel identificeert met een rolmodel uit de collectiviteit.
 
En wat is nu een blinde? Een blinde is iemand die oordelend naar een medemens kijkt met een rolmodel als maatstaf, bijvoorbeeld naar een vrouw met het rolmodel van 'de vrouw' in gedachten. Die oordelende blik vraagt niet naar de eigenheid van de medemens, maar wil alleen weten of die ander wel of niet aan het rolmodel voldoet. Als dat niet het geval is zal de ander daarop afgerekend worden. Iemand die oordelend kijkt is blind voor het werkelijke zijn van de ander. Oordelende ogen zien alleen hun eigen oordeel; ze zetten hun medemens in hun blik gevangen.
 
Er is echter ook een andere manier van kijken, namelijk met ogen van liefde. Daarover gaat de volgende tekst uit het Thomas Evangelie (5):

Jezus zei:
Zie wie voor je aangezicht is,
en hij die eerst voor jou verborgen was,
zal tevoorschijn komen.

Het opheffen van de blindheid betekent onder gnostici: het leren zien van wat werkelijk is, met ogen van liefde. Liefde oordeelt niet. Ogen van liefde zien iets heel anders dan oordelende ogen. Ogen van liefde zijn open en nodigen hun medemens uit zichzelf te tonen.
    Het opheffen van blindheid is - net als de opstanding uit de dood - in de gnostische traditie geen wonder. Het is wezenlijk onderdeel van het gnostieke spirituele pad, een persoonlijke ontwikkelingsweg die je als mens kunt gaan en waar je in vrijheid voor kan kiezen.
    Als gezegd wordt dat Jezus mensen van hun blindheid geneest, dan betekent dat voor een gnosticus dat hij hun ogen opent voor het 'zien' van hun medemens met ogen van liefde.

'Wanneer hij vindt zal hij verontrust zijn'

Wie zich in de teksten van Nag Hammadi verdiept zal er niet aan kunnen ontkomen veel denkbeelden over het christendom opnieuw te bezien.
    De volgende tekst uit het Thomas Evangelie zou wat dat betreft een waarschuwing kunnen inhouden (Thomas 2):

Jezus zei:
Laat hij die zoekt voortgaan met zoeken totdat hij vindt
en wanneer hij vindt zal hij verontrust zijn
en verontrust zijnde zal hij zich verwonderen.
en hij zal koning zijn over het Al.

De vondst bij Nag Hammadi nodigt ons uit, christenen en niet-christenen, de geschiedenis van het ontstaan van het christendom zorgvuldig opnieuw te onderzoeken. Dat zal wellicht tot verbazing en verontrusting leiden, maar het eindresultaat zou kunnen zijn dat je beseft dat je de koning of koningin bent van je eigen koninkrijk, je eigen leven.

 

Vorige Omhoog

 

Deze pagina werd voor het laatst ververst op: zaterdag 20 april 2002.