Angelus Silesius
Omhoog Mystieke teksten Uit het werk van Roemi Angelus Silesius Theorie mystiek Geschiedenis mystiek

Teksten van Angelus Silesius
(17e eeuw)

Vorige Omhoog Volgende

  • Tip: Bekijk deze pagina ook eens in de overzichtelijke en mooie lay-out van ZinRijk.nl...
     
  • Op deze pagina zijn teksten te vinden van de mysticus Angelus Silesius, en dan met name uit zijn werk 'Der Cherubinischer Wandersmann'. Angelus Silesius is een pseudoniem voor Johannes Scheffler, die leefde van 1624 tot 1674.
     
  • De brontekst van de Wandersmann in het Duits kun je vinden op de site van het Gutenberg project. Een fantastisch voorbeeld van het beschikbaar stellen van belangwekkende spirituele teksten via het Internet!
     
  • Een probeer-versie van een Spaanstalig programma met daarin opgenomen de complete tekst van 'Der Cherubinischer Wandersmann' in het Duits (helaas wel in het lelijke en moeilijk leesbare Gothaschrift), inclusief een vertaling naar het Spaans en een glossarium, kun je downloaden via het volgende adres: www.bibliele.com.
     
  • Misschien dat ik naderhand op deze pagina nog wel eens wat meer details zal geven over leven en werken van Scheffler. Maar tot die tijd wil ik alleen maar zeggen dat ik mij zeer aangesproken voel door de korte en vaak raadselachtige spreuken van Angelus Silesius. Zij zijn fascinerend als edelstenen, die onder verschillende lichtinval steeds verschillende perspectieven bieden. Ik kan niet zeggen dat ik ze altijd 'snap', maar dan nog blijven deze spreuken mij boeien, omdat ze mij het gevoel geven dat ze zijn als donkere stenen die plotseling zouden kunnen openbloeien tot fonkelende juwelen.
  • Soms zijn Silesius' uitspraken zeer gewaagd, bijv. wanneer hij praat over de gelijkheid van de mens en God. We dienen hierbij in het achterhoofd te houden dat het hier gaat om mystieke taal, en niet om exacte of wetenschappelijke taal. Ik las ergens dat mystieke taal bedkamertaal is, geen studeerkamertaal. En zoals wij allemaal waarschijnlijk wel weten, kunnen we op sommige momenten zo 'weg' zijn van onze geliefde, dat het verschil tussen onszelf en die ander helemaal lijkt te zijn verdwenen. We voelen ons één, verbonden. De taal schiet tekort als we recht willen doen aan de werkelijkheid die we op dat soort momenten ervaren. We kunnen het niet laten om te praten over die geliefde, maar tegelijkertijd schiet alle taal tekort om de werkelijkheid of het zijn van die ander, of, misschien beter: de werkelijkheid van ons samen-zijn, uit te drukken. Misschien ligt het wel net zo met mystieke taal, en moet je eerst zelf ook een minnaar zijn alvorens je de betekenis ervan kunt navoelen.
        N.B.: De paradox tussen gelijk-zijn met God en tóch ook weer niet samenvallen met Hem heb ik nergens zo treffend uitgedrukt gezien als in de volgende stelling van pater Thomas Keating (in zijn boek 'Open Mind, Open Heart. The Contemplative Dimension of the Gospel', New York 1997, pag.127; meer teksten uit dat boek vind je hier):

God en ons ware Zelf zijn niet gescheiden.
Alhoewel wij niet God zijn,
zijn God en ons ware Zelf één en hetzelfde
["the same thing"].

  • Niettegenstaande al het voorgaande, zijn er ook spreuken uit het werk van Angelus Silesius, die naar mijn gevoel in deze tijd maar heel moeilijk zullen aanspreken, omdat wij tegenwoordig in zo'n andere tijdgeest leven. Ik denk bijv. aan de spreuken die gaan over het zoeken van navolging van Christus d.m.v. het lijden. Zo'n lijdensmystiek ligt ons - of misschien moet ik zeggen: mij - niet zo meer. Om die reden zal op de pagina slechts sprake zijn van een selectie uit de spreuken van Angelus Silesius.

Nota Bene

Aangezien de "Cherubinischer Wandersman" vele korte spreuken bevat, en omdat ik er regelmatig een paar zal vertalen, lijkt het mij erg onpraktisch om alle titels van de afzonderlijke spreuken in de inhoudsopgave weer te geven. Voor mensen die deze pagina over Angelus Silesius regelmatig bezoeken, heb ik daarom het volgende systeem bedacht, waarmee zij snel de nieuw vertaalde spreuken na kunnen lopen:

  • De drie meest recent vertaalde reeksen van spreuken krijgen allemaal een pijl met een specifieke kleur voor de respectievelijke vertalingsdatums. Hieronder kun je zien welke datums bij de verschillende kleurcoderingen horen (klikken op de gekleurde pijlen hieronder EN in bij de spreuken zelf brengt je automatisch bij de volgende spreukvertaling uit een bepaalde reeks!):


    Klik SilesiusGeleReeks  voor vertalingen van: 20 juli 2002
    Klik SilesiusRodeReeks  voor vertalingen van: 18 september 2001
    Klik SilesiusGroeneReeks  voor vertalingen van: 14 oktober 2000

  • Bij sommige van de verzen vind je een mapicoontje (openmap.gif (780 bytes)); je muis daaroverheen bewegen brengt een venster tevoorschijn met daarin een opmerking of commentaar bij het betreffende vers.

WB00906_.GIF (3509 bytes)

 

Vorige Omhoog Volgende

 

Uit: Angelus Silesius, Sämtliche poetische Werke, Berlijn 1923

(Volledige titel: ANGELUS SILESIUS, Sämtliche poetische Werke und eine Auswahl aus seinen Streitschriften. Mit einem Lebensbild hrsg. v. Georg Ellinger. 2 Bde in 1. Propyläen, Berlin 1923)

  • Het werk "Der Cherubinischer Wandersmann" is in deze verzamelband onderverdeeld in 6 boeken, waarin de spreuken elk oplopend vanaf één genummerd zijn. In onderstaande vertaalde spreuken heb ik de nummering van de spreuken in de boeken overgenomen. De opschriften van de spreuken zijn waarschijnlijk van de hand van Angelus Silesius.
  • Enkele aanhalingstekens in de vertalingen zijn door mij (AP) aangebracht, om daarmee aan te geven dat de uitdrukking tussen die aanhalingstekens een overdrachtelijke betekenis heeft.

Boek I

1. Wat verfijnd is, dat houdt stand

Rein als het fijnste goud, standvastig als een rots,
helemaal zuiver als kristal hoort je gemoed te zijn.

3. Alleen God kan voldoening schenken

Weg, weg, jullie Serafijnen, jullie kunnen mij niet verkwikken!
Weg, weg, jullie engelen allemaal en al wat de aandacht op jullie vestigt!
Ik nu wil niets met jullie van doen hebben; ik werp mij alleen
in de ongeschapen zee van de zuivere Godheid in.

5. Men weet niet, wat men is

Ik weet niet, wat ik ben; ik ben niet, wat ik weet:
Een ding en niet een ding; een aanzetje en een cirkel.

6. Jij moet zijn, wat God is

Wil ik mijn uiteindelijke doel en mijn eerste begin vinden,
dan moet ik mijzelf in God en God in mij gronden
en worden dat, wat Hij is: ik moet een glans in het Glanzen,
ik moet een woord in het Woord, een god in God zijn.

7. Men moet nog voorbij aan God

Waar is mijn oponthoud? Waar ik en jij niet bestaan.
Waar is mijn uiteindelijke doel, naar welk ik toe zal gaan?
Daar waar men er geen vindt. Waar moet ik dan nu heen?
Ik moet nog voorbij God een woestijn binnengaan.

8. God leeft niet zonder mij

Ik weet, dat zonder mij God nog geen ogenblik lang kan leven;
word ik tot niets, Hij moet noodgedwongen de Geest geven.

9. Ik heb het van God en God heeft het van mij

Dat God zo zalig is en leeft zonder verlangen;
heeft Hij zowel van mij, als ik van Hem ontvangen.

10. Ik ben als God en God als ik

Ik ben zo groot als God, Hij is als ik zo klein:
Hij kan niet boven mij, ik niet onder Hem zijn.

11. God is in mij en ik in Hem

God is in mij het vuur en ik in Hem de weerschijn:
Zijn wij elkaar niet heel innig gemeen?

12. Men moet zich óver-zwaaien

Mens, waar jij je geest zwaait óver plaats en tijd,
daar kun je elk moment zijn in de eeuwigheid.

13. De mens is eeuwigheid

Ik zelf ben eeuwigheid, wanneer ik de tijd verlaat
En mij in God en God in mij tezamenvat.

14. Een christen is zo rijk als God

Ik ben zo rijk als God; er kan geen stofje bestaan,
dat ik (mens, geloof me) met Hem niet heb gemeen.

15. De Over-Godheid

Wat men over God zegt, dat is mij nog niet genoeg:
de Over-Godheid is mijn Leven en mijn Licht.

16. De liefde dwingt God

Waar God mij niet over God heen zou willen brengen,
daar wil ik Hem met naakte liefde daartoe dwingen.

17. Een christen is Gods zoon

Ook ik ben Gods zoon, ik zit aan Zijn hand:
Zijn geest, Zijn vlees en bloed zijn Hem aan mij bekend.

18. Ik doe het God na

God heeft mij lief boven Zich; heb ik Hem lief boven mij,
dan geef ik Hem zoveel, als Hij mij geeft vanuit Zichzelf.

26. De geheime dood

De dood is een zalig ding: hoe krachtiger hij is,
hoe heerlijker daaruit het leven wordt uitverkoren.

29. De eeuwige dood

Dié dood, waaruit geen nieuw leven opbloeit,
die is het, welke mijn ziel van alle doden ontvlucht.

31. Het altijd-durende sterven

Ik sterf en leef God: wil ik Hem eeuwig leven,
dan moet ik eeuwig voor Hem de geest [op]geven.

32. God sterft en leeft in ons

Ik sterf en leef ook niet: God zelf sterft in mij:
en wat ik leven moet, leeft ook Hij onophoudelijk.

33. Niets leeft zonder te sterven

God zelf, wanneer Hij jou wil leven, moet sterven:
hoe denk jij dan zonder dood Zijn leven te kunnen erven?

60. Lichaam, ziel en Godheid

De ziel is een kristal, de Godheid in haar is haar schijn;
Het lichaam, waarin je leeft, is hun beider schrijn.

61. In jou moet God geboren worden

Wordt Christus duizend maal in Bethlehem geboren
en niet in jou, je blijft toch nog voor eeuwig verloren.

63. Sta zelf uit de doden op

Ik zeg, het helpt je niet, dat Christus is opgestaan,
waar jij nog liggen blijft in zonde en doodsbanden.

64. De geestelijke zaaiing

God is een akkerman, het zaad Zijn eeuwige Woord,
de ploegschaar is Zijn Geest, mijn hart het zaaiingsoord.

65. Armoede is goddelijk

God is het armste ding, Hij staat geheel bloot en vrij:
Daarom zeg ik terecht en goed, dat armoede goddelijk is.

66. Het hart is de haard van God

Waar God een vuur is, daar is mijn hart de haard,
op welke Hij het hout der ijdelheid verteert.

67. Het kind schreeuwt om de moeder

Zoals een gespeend kind om zijn moeder weent,
zo schreeuwt die ziel om God, die Hem alleen 'meent'.

68. De ene afgrond roept de andere

De afgrond van mijn geest roept voortdurend met geschreeuw
de afgrond van God aan; zeg, welke dieper zou zijn?

69. Melk tezamen met wijn sterkt heel goed

De mensheid is de melk, de Godheid is de wijn;
Drink melk met wijn vermengd, wanneer je gesterkt wilt zijn.

71. Men moet het wezen zijn

Liefde oefenen kost veel inspanning; wij moeten niet alleen
maar liefhebben, maar zelf, zoals God, de liefde zijn.

72. Hoe ziet men God?

God woont in een licht, naar welk geen enkel pad voert;
wie het zelf [nl. dat licht] niet wordt, die ziet Hem voor eeuwig niet.

75. Je begeerte je afgod

Begeer je wat met God, ik zeg het helder en vrij,
(hoe heilig je ook bent) dat het jouw afgod is.

76. Niets willen maakt aan God gelijk

God is de eeuwige rust, omdat Hij niets zoekt noch wil;
wil jij in het gelijke 'niets', dan ben je juist veel.

77. De dingen zijn gering

Hoe klein is toch de mens, die iets hoog doet inschatten,
en zichzelf niet over zichzelf [heen] in Gods troon inzet!

79. God draagt volkomen vruchten

Wie mij tegenover [mijn] volkomenheid, zoals God heeft, wil tegenspreken,
die zou mij voordien van Zijn wijnstok los moeten breken.

80. Elk ding in het zijne

De vogel in de lucht, de steen rust op het land,
in het water leeft de vis, mijn geest in Gods hand.

81. God bloeit [van]uit Zijn takken

Ben jij uit God geboren, dan bloeit God uit jou
en Zijn Godheid is jouw sap en jouw sier.

82. De hemel is in jou

Stop, waar loop jij heen? De hemel is in jou;
zoek je God ergens anders, dan loop je Hem onophoudelijk voorbij.

83. Hoe kan men God genieten?

God is een enig Een; wie van Hem wil genieten,
moet zich niet minder dan Hij in Hem insluiten.

84. Hoe wordt men aan God 'gelijk'?

Wie aan God 'gelijk' wil zijn, moet aan alles ongelijk worden,
moet ledig van zichzelf en los worden van alle klachten.

85. Hoe hoort men Gods woord?

Wanneer jij het eeuwige Woord in jou wilt horen spreken,
dan moet jij je vantevoren van het horen geheel losbreken.

86. Ik ben zo wijd als God

Ik ben zo wijd als God, niets is er in de hele wereld,
dat mij (o wonderding!) in zich omsloten houdt.

165. Waar de wijsheid graag is

De wijsheid is graag daar, waar haar kinderen zijn.
Waarom? O wonderding: zij is zelf een kind.

167. Naar de mate dat jij in God [bent], naar die mate [is] Hij in jou

Naar de mate dat de ziel in God [is], naar die mate rust God in haar;
niet meer of minder, mens, geloof het, wordt Hij voor jou.

169. Niets verlangen is zaligheid

De heiligen zijn daarom met Gods rust omvangen
en hebben zaligheid, omdat zij naar niets verlangen.

171. God vindt men door nietzoeken

God is hier noch daar; wie verlangt Hem te vinden,
die laat Hem handen en voeten en lijf en ziel binden.

178. De 'schuld' is de jouwe

Dat jij het gezicht verliest bij het in de zon kijken,
dat is de 'schuld' van je ogen en niet van het grote licht.

182. De loonknecht is geen zoon

Mens, dien je God om goed, om zaligheid, om loon,
dan dien je Hem nog niet uit liefde, zoals een zoon.

184. God is voor mij, wat ik wil

God is mijn staf, mijn licht, mijn pad, mijn doel, mijn spel,
mijn vader, broer, kind en alles, wat ik wil.

185. De plaats is zelf in jou

Niet jij bent in de plaats, de plaats, die is in jou;
Werp je hem uit, dan is de eeuwigheid al hier.

186. Huis van de eeuwige Wijsheid

De eeuwige Wijsheid bouwt; ik word het paleis,
wanneer Zij in mij en ik in Haar rust gevonden heb.

187. De weidsheid van de ziel

De wereld is mij te eng, de hemel is te klein:
waar zou toch nog ruimte voor mijn ziel kunnen zijn?

188. De tijd en de eeuwigheid

Jij zegt: verplaats je uit de tijd naar eeuwigheid!
Is er dan een verschil tussen tijd en eeuwigheid?

189. De mens, die maakt de tijd

Jij zelf maakt de tijd, de zintuigen zijn het uurwerk;
zou je maar de onrust stoppen, dan is de tijd ervandoor.

190. De gelijkheid

Ik weet niet, wat ik aanmoet! Het is mij alles één:
oord, onoord, eeuwigheid, tijd, nacht, dag, vreugde en pijn.

191. Wie God wil schouwen, moet alles zijn

Wie zelf niet alles is, die is nog te gering,
dan dat hij Jou kon zien, mijn God, en alle dingen.

200. God is niets (geschapens)

God is waarlijk niets, en zo Hij iets is,
dan is Hij het slechts in mij, op de manier waarop Hij mij voor Zich verkiest.

Boek II

3. Mens in God, God in de mens

Wanneer ik Gods zoon ben, wie het dan kan zien,
die aanschouwt mens in God en God in de mens.

5. Het licht is niet God zelf

Licht is het kleed van de Heer; ontbreekt jou even het licht,
zo weet, dat jou toch God nog niet zelf ontbreekt.

6. 'Niets' is de beste troost

'Niets' is de beste troost: onttrekt God Zijn schijn,
dan moet het naakte 'niets' jouw troost en ontroost zijn.

7. Het ware Licht

God is het ware Licht; je hebt verder niets dan geglitter,
in geval dat je niet Hem, het Licht der lichten, hebt.

58. God sterven en God leven

Sterf of leef in God; je doet aan beide dingen goed,
omdat men God sterven en God ook leven moet.

59. Wie is meer God dan mens?

Wie zonder gewaarwordingen lief heeft en zonder waarnemen kent,
zo iemand wordt met goed recht meer God dan mens genoemd.

60. Over het liefhebben

Mens, wil je niets en heb je niets lief, dan wil je en heb je op de juiste wijze lief;
[maar] wie evenveel liefheeft, wat hij wil, heeft nog niet lief, zoals hij zou moeten.

61. Wie zichzelf verlaat vindt God

Wie zichzelf verloren heeft en van zichzelf is ontbonden,
die heeft God, zijn Troost, en zijn Heiland gevonden.

62. In beide moet men zijn

Mijn God, hoe koud heb ik het! Ach, wil mij toch verwarmen
in de schoot van Jouw mensheid en in van Jouw Godheid de armen!

63. De dove hoort het Woord

Vriend, geloof het of niet: ik luister op elk moment
wanneer ik ben doof en stom, naar het eeuwige Woord.

64. Een zucht zegt alles

Wanneer mijn ziel zucht en Ach en O schreeuwt,
dan roept zij in zichzelf haar Einde en Onbegin.

65. De eeuwigheid wordt niet gemeten

De eeuwigheid weet niets van jaren, dagen, stonden:
ach, dat ik nog niet het middelpunt heb gevonden!

146. God is duisternis en licht

God is een pure bliksemflits en ook een donker 'niet';
dat geen schepsel beschouwt met zijn [eigen] licht.

181. De zondaar is verblind

De zondaar ziet niets: hoe meer hij loopt en rent
in zijn eigenheid, hoe meer hij zichzelf verblindt.

182. God is bij alles aanwezig

Er is geen voor en er is geen na: wat morgen moet geschieden,
heeft God van eeuwigheid reeds wezenlijk gezien.

183. In het midden ziet men alles

Laat je neer in het middelpunt, dan zie je alles tegelijkertijd,
wat nu en wat dan geschiedt, hier en in het hemelrijk.

220. Waken, vasten, bidden

Drie werken moet men doen, wanneer men voor God wil treden:
Hij verlangt verder niets van ons, dan dat wij waken, vasten, bidden.

254. Het serafijnse leven

Vanuit liefde gaan en staan, liefde ademen, spreken, zingen
dat is je leven als Serafijn doorbrengen.

Boek III

31. Jouw hart, wanneer het leeg is, is beter

O ellende! Onze God moet zijn onderkomen in de stal nemen!
Ruim uit, mijn kind, jouw hart en laat Hem het ijlings innemen!

32. De hemel wordt tot aarde

De hemel daalt af, hij komt en wordt tot aarde;
wanneer stijgt de aarde omhoog en zal tot hemel worden?

50. Het Grote in het kleine

Mijn God, hoe mag dit zijn: mijn geest, de nietigheid,
verlangt Jou te verslinden, de ruimte der eeuwigheid!

56. Over de Godsverlangende

Voor de Godsverlangende wordt dit punt in de tijd [AP: het hier-nu]
veel langer dan het zijn van heel de eeuwigheid.

59. De liefde dwingt God

Het hemelrijk wordt gemakkelijk veroverd en zijn leven;
beleger God met liefde, [en] Hij moet het jou geven.

70. God de vrijgevigste

God geeft zich zonder maat: hoe meer men Hem begeert,
hoe meer en meer Hij zich aanbiedt en verleent.

71. Aardse Serafijn

Je bent een Serafijn nog hier op deze aarde,
waar jij je hart tot louter liefde laat worden.

72. Eeuwig leven in de tijd

Wie God in alle doen van harte loven kan,
die begint reeds in de tijd het eeuwige leven.

151. De heilige is nooit bedroefd

De heilige kan nooit in de geest bedroefd zijn;
Waarom? Hij looft God voortdurend ook in de grootste pijn.

153. De knechten, vrienden en kinderen

De knechten vrezen God, de vrienden hebben Hem lief,
de kinderen geven Hem hun hart en al hun zinnen.

156. De liefde gaat boven weten

Met God verenigd zijn en Zijn kus genieten,
is beter dan vele dingen weten zonder Zijn liefde.

163. De geheime wedergeboorte

Uit God wordt men geboren, in Christus sterft men
en in de Heilige Geest begint men te leven.

168. De Godheid

De Godheid is een bron, alles stamt uit haar
en keert daar naar terug; daarom is Zij ook een zee.

179. Over het liefhebben

De liefde van deze wereld, zij loopt altijd uit op droefheid;
laat mijn hart daarom alleen de eeuwige Schoonheid liefhebben.

180. God weet Zijn eigen begin niet

Jij vraagt, hoe lang God geweest is, om verslag daarover;
Ach, wees stil: het is zo lang, dat Hij het zelf niet weet.

181. Ook over God

God is nog nooit geweest en zal ook nooit zijn
en blijft toch bestaan na 's werelds einde, was ook als enige voordat zij ontstond.

183. Op volhardendheid komt het aan ["Beharrlichkeit ist not"]

Het grootste, dat een mens nodig heeft voor de zaligheid,
(daar waar hij in het goede staat) is de volhardendheid.

188. Het Woord wordt nog steeds geboren

Voorwaar, het eeuwige Woord wordt ook vandaag de dag nog geboren;
Waar dan? Daar, waar jij jezelf in jezelf hebt verloren.

196. De wijsheid en de liefde

De wijsheid schouwt God, de liefde kust Hem;
ach, dat ik niet vol liefde en vol wijsheid ben!

201. God geeft graag grote gaven

God - omdat Hij groot is - geeft het liefst grote gaven:
ach, dat wij arme mensen slechts zulke kleine harten hebben!

217. God is overal en nergens

Bedenk: overal is God, de grote JHWH,
en toch is Hij noch hier, noch ergens anders, noch daar.

220. De hoogste stand van de ziel

Niemand heeft zijn stand zo hoog gemaakt,
als een ziel die haar gemoed tot rust bracht.

228. De ogen van de ziel

Twee ogen heeft de ziel: één schouwt in de tijd,
de ander richt zich op de eeuwigheid.

233. Drie vijanden van de mens

Drie vijanden heeft de mens: zichzelf, Beëlzebub en wereld;
van deze drie wordt de eerste het langzaamst overwonnen.

235. De drievoudige Godskus

Drie standen kussen God: de maagden vallen Hem te voet;
de jonkvrouwen naderen Hem, om Zijn milde hand te kussen;
De bruid is zo door en door van Zijn liefde gewond,
dat zij ligt aan Zijn borst en kust de honingmond.

239. Duiding van de naam Jezus

Geen naam is onder alle zo hoog gebenedeit,
als Jezus, want Hij is een schat vol van zaligheid.

Boek IV

1. God wordt, wat Hij nooit was

De ongeworden God wordt midden in de tijd,
wat Hij nooit geweest is in alle eeuwigheid.

8. De naam Jezus

De naam Jezus is uitgegoten olie,
Hij voedt en verlicht en stilt de pijn van de ziel.

9. Het Onuitsprekelijke

Het Onuitsprekelijke, dat men God pleegt te noemen,
geeft zich in één Woord te spreken en te kennen.

10. De volle zaligheid

De mens bereikt niet eerder de volle zaligheid,
dan nadat de eenheid heeft opgeslokt de andersheid.

11. Door zwijgen eert men God

De heilige Majesteit, wil je haar eer betonen,
wordt het allermeest geëerd met heilig stilzwijgen.

12. In één ding alle heil

In één ding bestaat mijn heil, in één ding mijn rust;
daarom loop ik met achterlaten van vele dingen op dat éne toe.

13. De eigenschappen van de drie standen

De boetelingen smeken God, de vrije mensen danken Hem;
de bruiden zijn vol liefde en rust als Seraphim [engelen].

14. God schenkt het grote in het kleine

Neem, wat de Heer je geeft; Hij schenkt het grote in het kleine,
in het slechte erts goud, ook al denken wij van niet.

16. De sneeuw in de zon

Hoe mooi glanst de sneeuw, wanneer de stralen van de zon hem
met hemels licht bestrijken en beschilderen!
Zo glanst ook jouw ziel, wanneer zij wit is als de sneeuw,
wanneer zij beschenen wordt door de Opgang van omhoog.

17. Naar de heer Jezus

Ik nader U, Heer, als mijn zonnenschijn,
die mij verlicht, verwarmt en levendig doet zijn:
nadert U mij van Uw kant als Uw aarde,
dan zal mijn hart spoedig tot de mooiste lente worden.

38. God niets en alles

God is een Geest, een Vuur, een Wezen en een Licht
en toch ook weer niets van dit alles.

137. Het vonkje in het vuur

Wie kan het vonkje temidden van het vuur onderscheiden;
wie kan mij, wanneer ik in God ben, of ik het ben, benoemen?

147. De weidsheid van de mens in onbeschrijfelijk

Wie is het, die mij zou kunnen vertellen, hoe wijd en breed ik ben,
als [zelfs] de oneindige God in mij wandelen kan? [allusie op 2Kor.6]

181. Over de zaligen

De zalige ziel weet niets meer van andersheid,
zij is één licht met God en één heerlijkheid.

187. Men moet de Gever nemen

Mens, laat de gaven van God [staan] en snel op Hem zelf toe!
Waar jij aan de gaven blijft hangen, zul je niet tot rust komen.

194. Wat God het liefste doet

Het liefste werk, dat God zo innig wenst,
is, dat Hij zijn Zoon in jou baren kan.

298. De liefde kent geen vrees

De liefde is niet angstig, zij kan ook niet bederven,
nog eerder zou God tezamen met Zijn Godheid sterven.

299. Zo de persoon, zo de verdienste

De bruid verdient voor zichzelf meer met één kus omwille van God,
dan alle huurlingen door arbeid tot aan de dood.

307. De liefde is God meer nabij ["gemeiner"] dan wijsheid

De liefde gaat bij God onaangekondigd binnen,
verstand en voorname gevatheid moeten lang in de voorhof blijven.

Boek V

1. Alles moet weer terug in het Ene

Alles komt voort uit het Ene en moet naar binnen in het Ene,
wil het niet verdeeld en in veelheid zijn.

4. Niets kan zonder het Ene bestaan

Zoals elk en ieder getal zonder het Ene niet kan bestaan,
zo zouden de schepselen zonder God, het Ene, vergaan.

9. Eenieder moet Christus zijn

De ware Godszoon is Christus alleen,
toch moet elke christen diezelfde Christus zijn.

12. Een wakend oog ziet

Het licht der heerlijkheid schijnt midden in de nacht.
Wie kan het zien? Een hart, dat ogen heeft en waakt.

19. Ook over hetzelfde [i.c.: geestelijke seizoenen; AP]

In de winter is men dood, in de lente staat men op;
In de zomer en in de herfst gaat men zijn levensweg.

33. Wanneer God het liefst bij ons is

God, wiens genot het is, bij jou, o mens, te zijn,
komt, wanneer jij niet thuis bent, het liefst bij jou binnen.

39. De gelaten mens is reeds zalig

Een mens, die zich aan God [over]laat in alle gevallen en op alle wijzen,
die kan men waarlijk reeds in zijn lichaam zalig prijzen.

146. De wereld is van eeuwigheid

Omdat God, de Eeuwige, de wereld schiep buiten de tijd,
daarmee is het dus zonneklaar, dat zij is van eeuwigheid.

149. Alle mensen moeten één Mens worden

De veelheid is vijand van God: daarom trekt Hij ons zo naar binnen,
dat alle mensen in Christus één zouden zijn.

163. Alles komt uit het verborgene

Wie had dat kunnen denken! Uit duisternis komt het lichte,
het leven uit de dood, het iets uit het niet.

174. Wat de heilige doet, doet God in hem

God doet zelf in de heilige alles, wat de heilige doet;
God gaat, staat, ligt, slaapt, waakt, eet, drinkt, heeft goede moed.

189. God is voor eeuwig in Zijn [eigen] schoonheid verliefd

God is zo onvoorstelbaar mooi, dat ook Hijzelf volkomen
van eeuwigheid in vervoering is over de glans van Zijn gelaat.

264. Wanneer Jezus in het hart gevormd wordt

Mens, wanneer je hart voor God zoals was is zacht en rein,
dan drukt de heilige Geest het beeld van Christus daarin.

265. Wie door de liefde voor God gebonden is

De ziel, die aan niets anders als God denkt te aller ure,
die is door zijn liefde geketend en gebonden.

266. Het juiste leven van de ziel

Dan leeft de ziel juist, wanneer God, haar Geest en Leven,
haar helemaal vervuld heeft en zij Hem ruimte heeft gegeven.

267. Zo de school, zo de leer

In de scholen van deze wereld wordt God ons slechts beschreven;
In de school van de heilige Geest leert men Hem schouwen en liefhebben.

268. Men dient te 'werken' zonder ergernis

De zon schijnt en 'werkt' zonder welke ergernis of pijn dan ook;
Zo moet ook jouw ziel, als het juist met haar is, zijn.

269. Wie aan God voorbij [is], schouwt God

Bruid, zoek jij te schouwen het aangezicht van de Bruidegom,
Ga aan God en alles voorbij, dan zal het jou niet ontbreken.

273. Waar Christus niet 'werkt', daar is Hij niet

Vriend, waar niet Christus 'werkt', daar is Hij ook nog niet,
hoeveel ook de mens over Hem zingt of spreekt.

276. De heilige handelt niet volgens de geboden

De heilige, wat hij doet, doet hij niet volgens het gebod;
hij doet het puur uit liefde voor God.

277. De rechtvaardige heeft geen wet

Voor slechten is de wet: zou er geen gebod geschreven zijn,
de vromen zouden toch nog God en de naaste liefhebben.

278. De geestelijke 'krabbegang'

Mens, daal neer, dan zul je opstijgen;
laat af van jouw gaan, dan begint jouw loop.

280. God kan zichzelf niet meten

God is zo hoog en zo groot: wilde Hij zichzelf meten,
Hij zou, ook al is Hij God, het getal van de maatstaf vergeten.

284. God komt, [nog] voordat je naar Hem verlangt

Wanneer verlangen naar God jou vult en je wenst Zijn kind te zijn,
is Hij reeds daarvóór in jou en geeft je dat [verlangen] in.

285. De geestelijke tortelduif

Ik ben de tortelduif, de wereld is mijn woestijn;
God mijn Echtgenoot is weg; daarom zit ik zonder nest.

286. De eenvoud moet geestig zijn

Die eenvoud acht ik hoog, welke God geestigheid heeft geschonken;
Die [eenvoud] die deze [geestigheid] niet heeft, is haar naam niet waard.

293. De beloning van de liefde

De liefde heeft God zelf tot 'wezenlijk' loon;
Hij blijft voor eeuwig haar roem en erekroon.

296. De liefde Gods in ons is de heilige Geest

De liefde, die in jou naar God gericht blijkt ["sich zu Gott in dir beweißt"],
is Gods eeuwige kracht, zijn Vuur en heilige Geest.

305. De liefde Gods is wezenlijk

De liefde voor God bestaat niet in zoetheid;
[- ] zoet is enkel het toevallige ["ist ein Zufall nur"] - zij bestaat in wezenlijkheid.

Boek VI

17. De ene begeerte veroorzaakt de andere

Hoe meer een mens zich verheugt op tijdelijke eer en goederen,
des te minder heeft hij tot de eeuwige dingen moed.
Hoe meer daarentegen hij wacht op de eeuwige dingen,
hoe meer en meer wordt hem het tijdelijke gering.

18. De eeuwigheid wordt voor niets gehouden

O dwaasheid, omwille van den tijd waagt men zich tot in de dood,
en op de eeuwigheid richt men slechts zijn spot!

20. Het tijdelijke is rook

Al het tijdelijke is rook. Laat je het [binnen] in je huis,
voorwaar, het bijt het de geestesogen uit.

22. Mest vastpakken is dom

Hoe dwaas de mens, die mest vastpakt!
Hoe dwaas, jij die je vreugde in ijdele eer stelt!

23. Zichzelf niet kennen zorgt voor vergeefs rennen

Hoe komt het toch, dat de mens zo krankzinnig om ijdele eer rent?
Het komt, omdat hij niet zijn eer in God erkent.

24. Wat men in zichzelf heeft, zoekt men niet buiten

Wie in zichzelf eer heeft, die zoekt het niet buiten;
Zoek jij haar in de wereld, dan heb je haar nog buiten [jezelf].

38. Hoe meer toewending, hoe meer verlichting

In de mate dat de maan zich naar zijn zon richt,
naar jouw Jij, naar die mate zal jullie jullie licht toegemeten worden.

39. De geestelijke maan met haar zon

Ik wil de maan zijn, wees, Jezus, Jij de zon;
dan zal mijn aangezicht vol eeuwige vreugde en gelukzaligheid zijn.

40. De zon móet verlichten

De zon moet haar licht verlenen aan allen, die het willen:
De duivel zou verlicht raken, wilde hij zich tot God keren.

42. Wie niet bewogen wordt, hoort niet bij het geheel

De zon wekt alles op ["erreget all's"], doet al de sterren dansen;
wordt jij niet ook bewogen, dan hoor je niet bij het geheel.

54. De overwinning volgt pas naderhand

Christen, niemand heeft de overwinning en haar troost ondervonden,
die niet eerst vantevoren in de strijd de vijand heeft overwonnen.

 

Inhoudsopgave

WB00906_.GIF (3509 bytes)

 

Uit: Angelus Silesius: De Hemelsche Zwerver. Ingeleid en vertaald door Hilbrandt Boschma, Deventer 1945, 2e druk

  • Deze spreuken zijn een moderniserende hertaling van mijn hand van de spreuken uit dit boek. Toen ik de oorspronkelijke Duitstalige tekst in handen kreeg, viel mij op dat Boschma soms nogal heeft zitten schuiven met de volgorde van zinnen, om toch vooral het eindrijm te kunnen handhaven. Aangezien ik geen voorstander van zulke aanpassingen ben en zo trouw mogelijk blijven aan de oorspronkelijke bedoeling belangrijker vind dan het handhaven van eindrijm, zal ik in de toekomst alleen nog maar spreuken uit de Duitse tekst vertalen (zie hierboven).

Hierboven leeft men goed: niemand heeft iets alleen;
wat daar de enkeling heeft, is daar allen gemeen.

Gods kus genieten en in Hem zichzelf vergeten
is meer dan - zonder liefde - menig ding te weten.

Geen druppel dauw wordt voor zichzelf geboren;
ook jij moet anderen - niet jezelf toebehoren.

De liefde mag bij God vrij binnengaan;
het verstand blijft als een knecht lang in de voorhof staan.

Je hoopt, dat je "nog wel eens ooit" Gods licht zult zien?
Jij dwaas, je ziet het nooit, als je het nú niet ziet.

De zondige mens ziet niets;
hoe meer hij werkt en draaft,
door de eigen wil gejaagd,
hoe meer hij zich verslaaft.

Men kan van werk of rust in Gods bestaan niet merken;
Zijn werken is Zijn rust; Zijn rusten is Zijn werken.

Zie, ieder ding is het jouwe, dus: ontbreekt je iets,
dan ken je je eigen rijkdom nog niet.

't Geloof alleen is dood; je kunt niet eerder leven
voordat daaraan een ziel: de liefde wordt gegeven.

Zie wat je niet kunt zien, ga waar je niet kunt gaan,
hoor wat stemloos is, en je zult God "verstaan".

Je vindt naar de mate dat je zoekt, je krijgt naar de mate dat je vraagt;
dát zal uiteindelijk je deel worden, wat je hebt nagejaagd.

Gelatenheid is goed, maar zelfs God los te laten,
is een gelatenheid, die vele mensen haten.

Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren,
maar niet in jouw ziel, dan zou je toch verloren zijn.

En nu, vriend, houd ik op; wil je nog verder lezen,
och, word dan zelf Gods schrift én het wezen daarvan!

 

Inhoudsopgave

WB00906_.GIF (3509 bytes)

 

Elders gevonden

  • Volgend gedicht vond ik op het Internet.

Die Ros' ist ohn warumb
sie bluehet weil sie bluehet
Sie achtt nicht jhrer selbst
fragt nicht ob man sie sihet.

Wijsheid is een bron: hoe meer men eruit drinkt,
hoe meer en krachtiger ze opborrelt.

 

Inhoudsopgave

WB00906_.GIF (3509 bytes)

 

Deze pagina werd voor het laatst ververst op: zondag 1 september 2002.

Vorige Omhoog Volgende